Ga naar homepage
RSS feed
Glossy Passage
Uitslag schrijfwedstrijd
Passage Eeuwfeest




Verlangen - Dicky van Ooijen

Nelis wordt wakker van de zon die op zijn neusje kriebelt, wat een prachtige morgen! Hij springt op zijn pootjes en maakt een vreugdedansje. Hij maakt de gekste bokkesprongen en is binnen een paar tellen bij het hekje van de tuin. Wat ziet het gras er lekker uit daar aan de andere kant, hij snuffelt en duwt met zijn kopje tegen het hekje. Wat een mooie bloemetjes, die zullen lekker smaken! Als hij nog eens tegen het hekje duwt schuift het een klein eindje open, net ver genoeg voor een klein geitje. Hij glipt erdoor en danst, springt en mekkert van blijdschap. Opeens hoort hij mèhè, mèhè  en daar is Anne, zijn zusje. Hij wil haar het liefst terug sturen, Anne is zo’n dom geitje, maar ze huppelt zo vrolijk in het zonnetje en ze is zo blij,… samen trekken ze de wijde wereld in.

Als Liesbeth haar ogen open doet ziet ze de zon in haar slaapkamer schijnen. Wat heerlijk om zo wakker te worden. Snel slaat ze het dekbed terug en trekt de gordijnen open, de eerste mooie lentedag van dit jaar. Ze zou er dolgraag op uit trekken met de fiets, maar als Henk thuis is gaat dat niet zo makkelijk. Henk haar jongste zoon is geboren met het syndroom van down. Hij is een flinke knul van 12 jaar, maar fietsen kan hij niet en om achterop te zitten is hij veel te groot en ook veel te zwaar. Het is vandaag zaterdag, dus is hij vrij van school, dan maar samen gaan wandelen en een ijsje eten onderweg. Hoort ze hem al niet stommelen? Vlug kleedt ze zich aan en helpt Henk met aankleden en wassen. Hij is vrolijk en roept ’mama, mama’, eten. Samen eten ze hun boterhammen op. Liesbeth ruimt de ontbijttafel af en Henk loopt naar buiten, de tuin in. Hij neemt wat brood mee voor Nelis en Anne, de  kleine geitjes en z’n allerbeste vriendjes.  Hij heeft ze van de buurman gekregen toen hij vorige week jarig was. De moedergeit woont nog op de boerderij, samen met nog vier andere geiten. Als Henk mè, mè, roept komen de geitjes altijd aangerend, maar vandaag niet, Henk roept nog eens mè, mè, maar hij ziet de kleintjes niet. Hij begint te huilen en loopt naar de keuken terug. “Mama, mamma”, snikt hij, “mè, mè, weg”. Liesbeth kijkt verschrikt op,” wat is er Henk”? vraagt ze. Henk loopt terug naar het grasveld in de tuin en zijn moeder loopt hem na. Liesbeth ziet dat de geitjes er niet meer zijn. Ze ziet ook dat het tuinhekje een klein stukje open staat, net ver genoeg om een klein geitje te laten ontsnappen.

“Kom Anne, we gaan de wijde wereld in, misschien zien we onze mama wel”, zegt Nelis. Samen dansen ze in de zon, ze gaan niet het weiland in, maar huppelen naar de weg. Wat doet dat pijn aan mijn pootjes denkt hij, maar Anne springt in het gras van de berm. Opeens schrikken ze heel erg, er klinkt een hard geluid en een rijdt een groot wiel vlak langs Nelis. Ze springen allebei vlug opzij, onder een grote boom, maar Anne glijdt naar beneden in de sloot en Nelis ziet haar niet meer. Hij mekkert van schrik, mè, mè. “Anne, Anne waar ben je”? Gelukkig, daar is haar kopje weer, haar oortjes zijn helemaal groen. Anne trappelt met haar pootjes en haar mèhè is bijna niet te horen, weer verdwijnt  haar kopje onder water. Nelis springt naar de rand van de sloot, maar hij weet niet hoe hij Anne moet helpen. Ze komt weer boven en probeert met haar pootjes bij de wal te komen, maar het lukt haar niet.   Nelis weet niet wat hij moet doen en staat te mekkeren van angst. Nog een keer ziet hij de oortjes van Anne boven het water, maar hij hoort haar stemmetje niet meer.

Ondertussen zijn Liesbeth en Henk op zoek gegaan naar de kleine geitjes. Ze gaan naar de buurman en vragen of hij de twee heeft gezien. De buurman heeft net zijn koeien gemolken en jaagt ze het weiland in. Met z’n drieën kijken ze of de geitjes in het land tussen de koeien lopen, maar ze zien ze niet. Henk roept mè,mè, maar dat helpt ook al niet. “Misschien zijn ze bij mijn geiten”, zegt de buurman. Als ze bij de geitenwei van de buurman zijn gekomen lopen alle geiten naar het hek, maar Nelis en Anne zijn er niet bij. “Ze zullen toch niet de weg op zijn gegaan?”, vraagt Liesbeth hardop. Vlug lopen ze die kant op, Henk holt vooruit. Mè, mè, mè roept hij, mè,mè, mè. En ja hoor, daar bij de grote boom aan het water zien ze een klein wit geitje staan. Henk vliegt er naar toe en slaat zijn armen om de nek van het diertje, terwijl tranen van blijdschap over zijn wangen rollen. Liesbeth en de buurman komen ook aanlopen en zien Nelis in de armen van Henk, maar waar is Anne? Ze kijken in het rond, maar zien haar niet. Nelis wringt zich los uit de armen van Henk en springt naar de waterkant, terwijl hij luid begint te mekkeren. “Ze zal toch niet in het water liggen?”, vraagt Liesbeth. De buurman laat zich van de weg, naar de waterkant  glijden en ziet het geitje in de sloot liggen. “Ga jij maar met Henk naar huis”, zegt hij, ik breng de geiten wel mee”. Maar Henk wil niet naar huis en Nelis wil zijn zusje ook niet alleen laten, dus haalt de buurman het slappe lijfje van het verdronken geitje uit het water. Het is een droevig stelletje dat over de weg naar huis loopt.

In het zonnetje bij het tuinhekje zit Henk, hij knuffelt Nelis en houdt hem vast alsof hij hem nooit meer los wil laten. Liesbeth kijkt vanuit het keukenraam de tuin in en als ze die twee zo saampjes ziet zitten, dan verlangd ze naar die Grote Dag waarop alle dingen volmaakt zullen zijn.