Ga naar homepage
RSS feed
Glossy Passage
Uitslag schrijfwedstrijd
Passage Eeuwfeest




Een levensverhaal - Fien van der Zwan

In het maandblad van Ons Plattelandsleven, van de christelijke plattelandsvrouwenbond, van maart 1986 -36ste jaargang-no6 staat een verhaal van mij.

We zijn nu 33 jaar verder. Ik wil vertellen hoe het nu met dat stel gaat, dat na 8 jaar weer hand in hand kon lopen.

Ik verlang ernaar nog heel lang voor elkaar te kunnen zorgen.                                       

Ik ben Fien, getrouwd met Jan en dit al bijna 49 jaar. In 1977 toen onze kinderen pas vijf en zes waren, kreeg ik kanker en moest ik mijn linkerbeen plus bekkenhelft missen. Voorafgaand aan de operatie vroeg ik om uitleg over de beenamputatie en hoe zo’n prothese er uit kwam te zien. Ik kreeg een folder over een borstamputatie. “Dat was het zelfde”, zei men. Ik zei: “Loopt die mevrouw niet gewoon het ziekenhuis uit?”. 

De gevolgen voor ons jonge gezinnetje waren groot, we moesten verhuizen naar een gelijkvloerse woning. In die tijd ben ik gevraagd door een CPB afdeling om een lezing te geven. Het onderwerp was “Vrouw, handicap, maatschappij”. Er volgden meer van deze avonden.

Inmiddels ben ik 71 jaar. We zijn opa en oma van zes kleinkinderen en we zijn in 2008 verhuisd naar een woning tegenover onze dochter, schoonzoon en drie kleinkinderen. Hoofdzakelijk door mijn man en met hulp van familie en vrienden is de bouwvallige woning uit 1920 een paleisje geworden. Anderhalf jaar later werd bij Jan prostaatkanker geconstateerd. Drie maanden later kreeg hij een hersenbloeding. Hij is door het oog van de naald gekropen en is vijf maanden van huis geweest. In het revalidatiecentrum had ik op het white board geschreven:

Zeil op de wind van vandaag

De wind van gisteren brengt je niet vooruit

De wind van morgen blijft misschien wel uit

Zeil op de wind van vandaag.

Jan moest na het revalidatiecentrum naar een verpleeghuis. Ik zei, dat dat niet ging gebeuren. 

“U bent eigenwijs”, aldus de maatschappelijk werkster.

“Ja, dat kan zijn, maar met die eigenwijsheid ben ik ver gekomen”.

“U zit in een rolstoel”.

“Ja, maar in mijn bovenkamer mankeer ik niets. En mijn man loopt op zijn eigen benen”.  

Ik verlangde ernaar dat we weer samen zouden kunnen fietsen. Daar werkte het revalidatiecentrum niet aan mee, dus heeft mijn dochter dat op zich genomen. Nu fietsen we iedere dag een uur, soms langer, soms korter. Mijn man op de fiets, ik met de scootmobiel. Wat hij overgehouden heeft van de hersenbloeding is dat hij geen korte termijn geheugen meer heeft. Zijn besef van tijd is weg: jaar, maand, dag, uur, seizoen, enz. We hebben eigenhandig een kalender ontworpen, die hem helpt. Onze zoon helpt met de boekhouding, aangezien mijn man dat voorheen allemaal deed.

We maken de hele dag door foto's. De revalidatiearts zei, dat het weggegooide energie was. Ik zei, dat we aan het eind van de dag, de dag doornemen middels de foto’s. Op die manier heeft Jan dan weer herinneringen aan wat we beleefd hebben. Vooral het benoemen van details helpt. 

Als mijn man naast mij fietste en er kwamen tegenliggers, dan ging mijn man voor mij rijden. Maar dan vergat hij dat wij met z’n tweeën onderweg waren en moest ik hem terugroepen. “Weet je”, zei hij, “dat ik helemaal vergat, dat we samen weg waren”. Tegenwoordig gaat hij bij tegenliggers achter mij rijden.

Ik denk veel aan mijn oude beroep, bezigheidstherapeute, in dienst van het Rode Kruis. Een cliënt van mij, met spierdystrofie, had een boek geschreven en signeerde mijn boek met: “Een handicap verdwijnt wanneer de ander hem begrijpt”. En dat is zo. De meeste cliënten konden niet lopen, spreken en of zien. Aan hen denkend tel ik op wat ik wel kan en kom ik aan beiden handen tekort.

Ik vertelde wel eens van mooie momenten, wat ik de Gouden Randjes van de dag noem. Spontaan kreeg ik van onze kleindochter een mooi doosje, dat was om de Gouden Randjes in te bewaren: zo lief.

Precies drie jaar geleden kreeg ik borstkanker en verbleef ik wat langer in het ziekenhuis door mijn diabeet zijn. Dit vond ik moeilijk: bij Jan weg. Dan belde ik hem om hem te wekken en zei dat hij moest ontbijten. Op het white board moest hij kijken voor de indeling van de dag. Om 10:00 uur belde ik weer: “Heb je je medicijn genomen en koffie gedronken?”. Tussen de middag belde ik opnieuw: “Heb je al gegeten?”. Fijn dat hij bij mijn dochter kon warm eten. ’s Avonds het laatste belletje: “Welterusten Jan, tot morgen” (op mijn hoofdkussen thuis een briefje: "Fien in het ziekenhuis"). Na drie dagen mocht ik naar huis. Wat een superbroeder had ik aan Jan, geweldig. Hij hielp ook met de rolstoel in de auto doen, alle dagen dat ik voor bestralingen naar het ziekenhuis moest. Hij ging altijd mee.

We zijn er nog en genieten van heel kleine dingen. De roodbonte specht  bijvoorbeeld, die iedere dag komt, de sneeuwklokjes, krokussen, narcissen en het uitlopen van de bomen en struiken, een wonder telkens weer. Verbeteringen ontdekken bij mijn man is ook zo mooi. Het programma "2 voor 12" vindt hij leuk. Van vroeger weet hij zoveel, dat er tranen over mijn wangen biggelen bij al die goede antwoorden.

In onze nieuwe woonplaats heb ik mij al snel opgegeven als lid van Passage. Het voelde als een warme deken, alsof je al jaren een van hen was. Het geeft verbinding om met leden die je tegenkomt in het winkelcentrum na te praten over de Passageavond. Ik kijk iedere maand uit naar de verenigingsavond. Sinds kort zit ik in het bestuur, waar ik veel van leer. Jan brengt mij weg en haalt mij weer op. In het begin wist hij niet hoe hij thuis moest komen. Dan belde ik ter controle of hij thuis was gekomen. 

Tel uw zegeningen een voor een, tel ze allen en vergeet er geen.

Ik ben o zo dankbaar dat we elkaar tot steun kunnen zijn en verlang ernaar nog meer te kunnen vertellen in een boek: “Drie benen samen sterk.”